Toen ik nog in de speelgoedwinkel werkte kwam ik ze geregeld tegen. Mannen die voor hun pasgeboren zoontje alvast een LEGO trein kwamen kopen, of mannen die op zoek waren naar het grootste en krachtigste waterpistool, voor een over de schutting gevecht met de buurman. Veel mensen (vooral mannen?) blijven wel een beetje speels. Kinderachtig? Nee, onderzoek naar de functie van spelen laat zien dat af en toe spelen goed is voor het brein, en dat juist de succesvolste mensen hun leven lang speels blijven.

 

Waarom spelen wij en andere dieren? Met die vraag hebben onderzoekers jarenlang geworsteld. Spelen is mal, frivool en schijnbaar doelloos gedrag. Evolutionair gezien lijkt het niet direct nuttig. Er zijn zelfs veel goede redenen om niet te spelen: het kost tijd en energie en kan heel gevaarlijk zijn. Uit een onderzoek bleek dat van 26 zeehondenpups die werden gedood door roofdieren er 22 werden gegrepen toen ze aan het spelen waren en de omgeving niet goed meer in de gaten hielden. Ook berggeitjes storten geregeld in een ravijn tijdens het ravotten. Tijd die wordt besteed aan spelen kan niet worden gestoken in het vinden van voedsel of een schuilplaats.

Toch overwint de behoefte te spelen soms de sterkste overlevingsdriften. Dat ontdekte sleehondendrijver Brian LaDoon toen hij op een novemberdag op de Noordpool een vermagerde en hongerige ijsbeer op een van zijn sleehonden zag aflopen. LaDoon werd echter geen getuige van een bloedbad, maar van een bijzondere ontmoeting. De hond kwispelde en boog voor de beer, die deze uitnodiging om te spelen aannam. Een kwartiertje rollebolden de twee door de sneeuw, waarna de ijsbeer weer vertrok. Nog steeds met een lege maag, maar zijn trek in plezier bevredigd. Twee weken lang kwam de ijsbeer elke avond langs bij zijn speelkameraad.

Als de behoefte om te spelen zo sterk kan zijn, argumenteert de Amerikaanse psychiater en speelexpert Stuart Brown, dan moet ze wel héél belangrijk zijn. Een van de populairste theorieën over spelen stelt dat het ons voorbereidt op de rest van ons leven. Tijdens het spel kunnen we ongestraft oefenen met vaardigheden die we in de toekomst nodig hebben voor serieuze zaken. Die oefening is zó belangrijk, dat we de risico’s op de koop toe nemen.

Hoewel deze theorie voor een deel klopt, geeft ze niet de volledige verklaring. Uit een Schots onderzoek bleek namelijk dat jonge katjes die niet mogen spelen, later toch prima jagers worden. De arme poesjes krijgen echter wel op een andere manier een achterstand. Ze kunnen vriend niet van vijand onderscheiden, ze slaan de plank mis als een andere kat een sociaal signaal geeft, ze reageren erg agressief of juist teruggetrokken. Ze ontwikkelen, kort gezegd, geen emotionele en sociale intelligentie.

De laatste jaren stapelt zich het bewijs op voor het feit dat spelen essentieel is voor de groei en vorming van het brein. En niet alleen voor de motorische gebieden, zo werd aangetoond door onder anderen Jaak Panksepp, emeritus hoogleraar neurowetenschappen aan de Bowling Green State University in Amerika. Hij liet bijvoorbeeld zien dat actief spelen leidt tot meer aanmaak van neurotrofine, dat de zenuwgroei bevordert, in twee hersengebieden: de amygdala, waar emoties worden verwerkt, en in de dorsolaterale cortex, een belangrijk gebied voor het nemen van beslissingen. Als die gebieden zich goed ontwikkelen, verbetert de vaardigheid in het omgaan met problemen.

De Canadese neurowetenschapper Sergio Pellis ontdekte dat jonge ratjes die met alleen volwassen ratten opgroeiden, en dus niet konden spelen, een slechter ontwikkelde prefrontale cortex hadden. Dat is het hersengebied dat belangrijk is voor het nemen van beslissingen in verschillende situaties. Volgens Pellis betekent dit dat deze ratten zich minder goed zullen kunnen aanpassen aan subtiele veranderingen in de sociale wereld.

Het grote voordeel van spelen lijkt dus te zijn dat het ons brein flexibel maakt en openstelt voor een veranderende wereld. De Amerikaanse evolutionair bioloog Marc Bekoff stelt dat spelen de beste manier is voor een dier om een diverser en flexibeler gedragsrepertoire te krijgen. ‘Ik denk dat spelen een training is voor het onverwachte,’ zei Bekoff daarover in The New York Times. ‘Het leidt tot een mentale souplesse en een breder gedragsvocabulaire; en die helpen het dier succesvol te zijn bij partnerselectie, groepsdominantie, het voorkomen van gevangenschap en het vinden van voedsel.’

Als de hersenen zijn volgroeid, stoppen de meeste dieren met spelen. Maar er zijn soorten die het hun hele leven blijven doen. Volwassen nijlpaarden willen onder water nog weleens een koprol achterover maken, bizons zijn uitbundig loeiend gesignaleerd terwijl ze op vier poten over een bevroren meer glibberden, en raven glijden lachend van besneeuwde hellingen. Gewoon, voor de lol.

En wij mensen? De mens is volgens speeldeskundige Stuart Brown de grootste speler van alle dieren. Volgens hem is het zelfs de bedoeling dat we ons hele leven blijven spelen. Zo blijven we openstaan voor veranderingen. Misschien zijn we wel de flexibelste diersoort op aarde.

Brown, die in de Verenigde Staten het National Institute for Play oprichtte, stelt zelfs dat spelen net zo essentieel is voor ons brein als slaap. Als dieren niet mogen spelen gaan ze, net als bij een gebrek aan slaap, het tekort inhalen. Dat wordt ‘rebound spelen’ genoemd, spelen van de weeromstuit. De dieren gaan als een dolle klieren na een periode dat dat niet mogelijk was.

Hoewel het niet is onderzocht, denkt Brown dat ook mensen een sterkere behoefte krijgen te spelen als ze een tijd te serieus hebben moeten zijn. Denk aan kinderen die na een lange autorit meteen de tuin in rennen. Of een volwassene die zich na een lange werkweek in het uitgaansleven stort. Volwassenen met een ‘speeltekort’ zijn er volgens Brown slecht aan toe. ‘Ze verliezen hun optimisme, worden somber en raken vastgeroest,’ schrijft hij.

Brown onderzocht meer dan zesduizend ‘speelgeschiedenissen’ van allerlei soorten mensen. Uit zijn psychiatrisch onderzoek naar moordenaars in de gevangenissen van Texas concludeerde hij dat ze in hun jeugd vaak maar heel beperkt hebben kunnen spelen. Nobelprijswinnaars, topwetenschappers en kunstenaars hadden hun hele leven juist veel gespeeld. Sterker nog, zij speelden nog steeds!

Voldoende spelen in je volwassen leven is de smeerolie voor je brein. Alles loopt soepeler. ‘Uit onderzoek blijkt dat mensen die blijven spelen minder vatbaar zijn voor dementie en andere neurologische problemen. Ze lopen ook minder kans op hart- en vaatziekten,’ stelt Brown. ‘Als we spelen, staan we open voor mogelijkheden en de vonken van nieuwe inzichten en gedachten,’ concludeert hij. ‘We zijn door de natuur gebouwd om op te bloeien door middel van spel.’

Helaas vergeten veel volwassenen voldoende te spelen. Vooral vrouwen, stelt Barbara Brannen, auteur van het boek The gift of play. Why adult women stop playing and how to start again. Mannen doen vaker dan vrouwen aan teamsporten (of kijken ernaar), knutselen in hun vrije tijd, of koken voor hun plezier. Vrouwen sporten om af te vallen en koken omdat er nou eenmaal monden moeten worden gevoed. Ze voelen zich vaak zo verantwoordelijk voor hun gezinsleven en hun werk, dat plezier maken bij hen onder aan hun lange to-do-lijst bungelt.

Spelen is een gemoedstoestand, niet per se een activiteit. Voor de een is tennissen spelen, voor de ander betekent het niets dan frustratie en voor een derde is het een broodwinning. Het gevoel dat een activiteit oproept, is dus het belangrijkst. Gaat u erin op? Hebt u zin om het nog een keer te doen? Vergeet u de tijd? Dan bent u waarschijnlijk aan het spelen. Of het nu op de werkvloer is, in het park, of
op de bank met een boek.

Hoe krijgen we onze speelsheid weer terug? ‘Begin eerst eens met je speelgeschiedenis te onderzoeken,’ zegt Stuart Brown. ‘Zorg dat je veel in aanraking komt met spelen, speel met dieren en kinderen, en geef jezelf toestemming om “gek” te doen. Experimenteer met nieuwe manieren om je uit te drukken. Oefen – want als je al lang niet meer gespeeld hebt, zal het niet automatisch gaan. Je moet er tijd voor uittrekken. Zorg ervoor dat je zoveel mogelijk in een omgeving en bij mensen bent die spel en speelsheid bevorderen.’

Maar de snelste manier om speelsheid een nieuwe impuls te geven, zegt Brown, is iets fysieks te gaan doen. ‘Ga gewoon bewegen! Wandel, spring, dans, gooi een bal. We beginnen te leven door beweging.’

De sleutel tot speelsheid in het heden ligt in het verleden. Als u kunt achterhalen waar u als kind helemaal in kon opgaan, dan kunt u proberen dit terug te brengen in uw leven. De Amerikaanse psychiater en speelexpert Stuart Brown adviseert u minstens anderhalf uur uit te trekken voor deze oefening: er zijn rust, openheid en concentratie nodig om de volgende vragen te kunnen beantwoorden.

1) Denk terug aan uw kindertijd. Welke activiteiten gaven u enorm veel plezier? Waar ging u helemaal in op? Deed u deze dingen graag alleen, of met anderen?

Speelde u vooral fysiek of in gedachten? Als u het niet meer weet, praat dan met mensen die u als kind hebben gekend.

Als u mentale beelden ziet, probeer ze u sterker voor de geest te halen. Laat uw associaties komen. Probeer te voelen wat u voelde tijdens het spelen.

Ga niet in op sceptische of veroordelende gedachten die misschien opkomen tijdens deze oefening.

2) Hebt u goed voor ogen in welke dingen u plezier had en de emoties die daarbij horen? Vraag uzelf dan af: zijn soortgelijke activiteiten nu nog deel van mijn leven? Hoe kan ik die speelsheid van toen weer terugbrengen?

De meeste mensen hebben verschillende ‘speelpersoonlijkheden’ in zich, maar toch hebben ze vaak een dominante voorkeur voor een bepaald soort spel.

Dat concludeert speelexpert Stuart Brown na jarenlang onderzoek. Achter één bepaalde speelvorm kunnen uiteenlopende speelpersoonlijkheden steken. Mensen die vroeger met barbies speelden, verzonnen daar misschien hele verhalen omheen (de verhalenverteller) maar het kan ook zijn dat ze vooral genoten van alle verschillende kleertjes (de verzamelaar). Volgens Brown zijn er acht speeltypes:

1. De grappenmaker

Het spel van de grappenmaker draait altijd om iets onzinnigs. Als kind liet hij anderen lachen door rare geluiden te maken, scheve bekken te trekken of iets anders geks te doen. Ook op latere leeftijd zijn dit de mensen die moppen tappen, de clown uithangen en met kwinkslagen uit de hoek komen. Een grappenmaker krijgt meer energie door naar een goede lachfilm te kijken of naar cabaret te gaan.

2. De beweger

Dit soort mensen beleeft vooral plezier aan bewegen. Als kind zijn ze altijd aan het rennen en ze kunnen moeilijk stilzitten. Ook later in hun leven zijn ze het gelukkigst als ze sporten, wandelen of dansen. Competitie is, als ze een sport beoefenen, niet het belangrijkst voor ze. Het gaat hun er vooral om, lekker met hun lijf bezig te zijn. Sommige mensen hebben beweging zelfs nodig om te kunnen denken.

3. De onderzoeker

Als kind al zijn deze mensen bezig de wereld om hen heen te verkennen. Ze raken nooit uitgekeken en blijven hun hele leven exploreren. Dat kan letterlijk, doordat ze steeds nieuwe plekken op de wereld opzoeken. Soms doen ze emotionele verkenningen, door op zoek te gaan naar nieuwe ervaringen of door bestaande ervaringen te verdiepen met behulp van muziek, beweging of spannende flirts. Of ze doen mentale ontdekkingen door boeken te lezen over nieuwe onderwerpen.

4. De streber

De streber voelt de euforie van spelen vooral tijdens competitieve spelletjes met specifieke regels. Hij wilde als kind al nummer één zijn, en hij geniet nog steeds van spelletjes waarbij gewonnen kan worden. De streber houdt áltijd de punten bij. Of hij nu aan sport doet of op de tribune zit, hij volgt de wedstrijden fanatiek. Op het werk is hij graag de baas; hij houdt bij wie er ‘voor staat’ door op te letten wie in de grootste auto rijdt of het hoogste salaris heeft.

5. De regelaar

Regelaars vinden het leuk om de leiding te nemen. Als kind deelden ze de groepjes in, zeiden ze dat het tijd was voor een ander spelletje en ontfermden ze zich over andere kinderen. Later zijn dit de mensen die sprankelende feestjes geven, het initiatief nemen voor een excursie met collega’s, en etentjes tot in de puntjes plannen. Een regelaar krijgt energie door leuke dingen te organiseren.

6. De verzamelaar

Het hebben en bewaren van de beste, interessantste collectie objecten of ervaringen geeft de verzamelaar een kick. Vroeger waren het voetbalplaatjes of suikerzakjes, nu zijn het antiquiteiten, wijnen, schoenen of zonsverduisteringen. Sommige verzamelaars genieten in hun eentje van hun bezit, andere zijn het gelukkigst als ze hun obsessie kunnen delen met andere verzamelaars.

7. De creatieveling

Creatievelingen krijgen plezier door dingen te maken. Als kind tekenen en schilderen ze veel, of ze maken constructies van meccano. Later geniet een creatieveling nog steeds van schilderen, breien of tuinieren, als er maar iets moois, nuttigs of geks gemaakt kan worden. Creativiteit kan ook in allerlei bezigheden aanwezig zijn, zoals iets oppoetsen tot het weer glimt, of apparaten uit elkaar halen en weer in elkaar zetten.

8. De verhalenverteller

Voor de verhalenverteller is verbeelding de sleutel tot zijn spel. Als kind leest hij graag of speelt hij verhaaltjes na in zijn legowereld. Ook later zijn dit mensen die in een verhaal kunnen verdwijnen, zich helemaal identificeren met een personage en een levendige fantasie hebben. Bijna overal kunnen ze wel een spelelement in aanbrengen. Verhalenvertellers laden zichzelf op als ze naar de film gaan of tijd nemen voor een fijn boek.

Vrij naar: Lekker spelen Psychologie magazine februari -10

 

Deel dit artikel:
Facebook Twitter Plusone Pinterest

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

CommentLuv badge

Post Navigation